Vermogensinkomensbijtelling

Per 1 januari 2013 is een vermogensinkomensbijtelling ingevoerd voor zowel de AWBZ (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten) als de Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning).

Wij ontvangen veel vragen over dit onderwerp, vandaar onze nieuwsbrief van april 2013 over dit onderwerp.

Wat houdt de vermogensinkomensbijtelling in?


Uitgangspunt voor de vermogensinkomensbijtelling is het fiscale inkomen/vermogen in box 3 van de inkomstenbelasting. Er is bij velen onrust en onduidelijkheid, met name waar het gaat om het “niet liquide vermogen”, zoals de eigen woning. De combinatie van een laag daadwerkelijk inkomen en een “niet liquide” vermogen zou kunnen leiden tot een hogere bijdrage.

Door staatssecretaris van Rijn zijn inmiddels de nodige vragen beantwoord. De uitkomsten vatten we graag voor u samen. In veel gevallen is er geen reden tot paniek!

De voormalig eigen woning wordt nog door de fiscale partner bewoond:

De woning telt niet mee voor de grondslag van box 3 zolang de fiscaal partner in de woning blijft wonen: het blijft een “eigen woning”.
De eerste 2 jaar
De eigen woning zal de eerste 2 jaar na opname in een verpleeg- of verzorgingstehuis nog als “eigen woning” worden aangemerkt in box 1.

De voormalig eigen woning staat leeg in afwachting van verkoop:
Als de woning leeg staat in afwachting van verkoop, is deze periode zelfs tijdelijk (tot 1 januari 2014) 3 jaar. Omdat de woning in dit geval nog in box 1 zit, maakt deze geen onderdeel uit van de grondslag voor box 3 en zal de woning niet worden betrokken bij de berekening van de verplichte eigen bijdrage (VIB).
De peildatum
De peildatum voor de VIB ligt 2 jaar na de wijziging in het Box-3 vermogen.
Vier jaar later
Dit betekent dat pas vier (en soms vijf) jaar na opname in verpleeg- of verzorgingstehuis, de “eigen woning” als deze in al die jaren niet is verkocht, door het CAK wordt betrokken bij de berekening van de eigen bijdrage. Immers, pas na twee (of 3) jaar na de opname zullen de woning en de eventuele hypotheekschuld verhuizen van box 1 naar box 3, wat pas 2 jaar later zichtbaar wordt bij de vaststelling van de VIB door het CAK.

Hieronder een vereenvoudigd voorbeeld van een tijdspad, voor een betrokkene, op 1-1-2013 opgenomen in AWBZ instelling, zonder partner:

1 januari 2013

Fiscale situatie: woning, hoewel fiscaal gezien niet meer een “eigen woning”, mag nog 2 jaar in box 1.
Eigen bijdrage: eigen bijdrage wordt opgelegd op basis van het inkomen en vermogen box 3 van 2011

1 januari 2014

Fiscale situatie: woning, hoewel fiscaal gezien niet meer een “eigen woning”, mag nog 1 jaar in box 1
Eigen bijdrage: eigen bijdrage wordt opgelegd op basis van het inkomen en vermogen box 3 van 2012

1 januari 2015

Fiscale situatie: woning is fiscaal gezien geen “eigen woning” meer, de uitzondering van nog 2 jaar in box 1 is afgelopen. De woning valt op dit moment in het vermogen onder box 3.
Eigen bijdrage: eigen bijdrage wordt opgelegd op basis van het inkomen en vermogen box 3 van 2013.
In 2013 zat de woning nog niet in box 3 en wordt dus nog niet meegenomen bij het bepalen van de eigen bijdrage.

1 januari 2016

Fiscale situatie: De woning valt in het vermogen onder box 3.
Eigen bijdrage: eigen bijdrage wordt opgelegd op basis van het inkomen en vermogen box 3 van 2014.
In 2014 zat de woning nog niet in box 3 en wordt dus nog niet meegenomen bij het bepalen van de eigen bijdrage.

1 januari 2017

Fiscale situatie: De woning valt in het vermogen onder box 3.
Eigen bijdrage: eigen bijdrage wordt opgelegd op basis van het inkomen en vermogen box 3 van 2015.
In 2015 zat de woning in box 3 en wordt dus meegenomen bij het bepalen van de eigen bijdrage. Eventueel kan bij het CAK een betalingsregeling worden aangevraagd.

Conclusie:
Vraag bijtijds advies aan uw notaris voor overdracht van de woning door de ouder(s) aan de kinderen.

Dit artikel komt uit onze nieuwsbrief van april 2013, wilt u ook onze nieuwsbrief ontvangen?

Meld u aan via deze link.